Dirk van der Meulen

Functie:
Promovendus Universiteit van Amsterdam
De toekomst van historisch literatuuronderwijs: het revitaliseren van het lezen van literair-historische teksten in het Voortgezet Onderwijs

Innovatieve didactiek voor het lezen van literair-historische teksten in het Voortgezet Onderwijs en het vinden van nieuwe methoden om studenten te inspireren

Historisch literatuuronderwijs wordt van oudsher in verband gebracht met belangrijke doelstellingen als cultuuroverdracht, literair-esthetische vorming, historisch besef, individuele ontwikkeling en (maatschappelijke) wereldoriëntatie (Slings, 2007). Daarnaast beweert men dat literair-historische teksten zowel universalia als andersheid bevatten, zowel bekende als vreemde werelden, waar de lezer van vandaag de dag zich mee kan identificeren of door verbaasd kan worden (Van Assche, 1988). Mogelijke effecten van het lezen van historische literatuur zijn kritisch denken, empathie, sympathie en de toename van een moreel probleemoplossend vermogen (Nussbaum, 2010). Ten slotte is het een algemene doelstelling van historisch literatuuronderwijs om de groei van literair-historische competentie te stimuleren (Witte, 2008).

Er zijn echter veel praktische en systematische problemen die het bereiken van dit soort doelstellingen belemmeren. Ten eerste, is de beschikbare hoeveelheid tijd voor literatuuronderwijs afgenomen van 1,45 naar 0,83 uur gedurende de afgelopen decennia (Verboord, 2004) door externe ontwikkelingen in het Nederlandse systeem, zoals de Mammoetwet (1968) en het Studiehuis/de Tweede Fase (1998). Dit heeft paal en perk gesteld aan de diepgang die een docent kan bereiken met zijn klas, waardoor er meer dan ooit een efficiënte en effectieve organisatie van het literatuuronderwijs noodzakelijk is.

Daarnaast veronderstelt de ontwikkeling naar leerlinggericht onderwijs kennis van en de vaardigheid om te differentiëren (Witte, 2007). Hoewel de afname van canongerichte lesboeken en de daaruit volgende groei van leerlinggerichte lesboeken zijn aangetoond op microniveau, lijkt deze verandering te zijn veroorzaakt door een toenemende oriëntatie door uitgevers en docenten op de achtergrond en interesses van leerlingen (Verboord & Van Rees, 2009). Differentiatie door docenten lijkt niet aan deze verandering te hebben bijgedragen. Uit onderzoek van Van de Grift (2010) blijkt namelijk dat de kennis en vaardigheid om effectief te differentiëren bijna geheel ontbreekt in het Nederlands Voortgezet Onderwijs. 

Ten slotte, hoewel er dissertaties zijn geschreven op het gebied van het Nederlandse literatuuronderwijs (Dirksen, 1995; De Vriend, 1996; Moerbeek, 1998; Janssen, 1998; Slings, 2000; Verboord, 2003; en Witte, 2008) en er belangrijk werk in de empirische literatuurwetenschap is verricht met didactische implicaties (Andringa & Schram, 1990), zijn er tot op heden voor zover wij weten geen experimentele studies naar de effecten van historisch literatuuronderwijs. Er is dus een opmerkelijk gebrek aan evidence-based historische literatuurdidactiek (Bonset & Braaksma, 2008). 

In het algemeen zijn er sinds de jaren tachtig twee didactische richtlijnen voor historisch literatuuronderwijs: i) historiseren, dat wil zeggen het bestuderen van een literair-historische tekst in zijn historische context; of ii) het actualiseren van een literair-historische tekst door de thematiek en/of het verhaalniveau bij onze eigen tijd te laten aansluiten (Van Assche, 1988). 

Sinds de jaren tachtig, een hoogtepunt in de interesse in geschiedenis, de middeleeuwen, historische literatuurdidactiek en historisch literatuuronderwijs, is er weinig didactische vooruitgang geboekt. Er wordt sindsdien wel gewaarschuwd tegen geforceerd actualiseren van oudere teksten (Geljon, 1994). In plaats daarvan wordt voor de veiligere, didactische procedure van historiseren gekozen, waardoor literatuurgeschiedenis een duidelijk instrumentele functie krijgt: deze context dient idealiter geheel voor het begrijpen van de literair-historische teksten. Deze werkwijze kan in veel canongerichte lesboeken worden aangetroffen in de afgelopen decennia (Verboord & Van Rees, 2009). 

Van der Meulen beoogt in dit promotietraject om het historisch literatuuronderwijs te revitaliseren voor de 21ste eeuw door een innovatieve didactiek te ontwerpen en te testen voor 5-havo/5-vwo. De centrale onderzoeksvraag van deze studie is of een innovatieve, gedifferentieerde lessenserie historische literatuur, gebaseerd op literatuur- en geschiedenisdidactiek, de literair-historische competentie van VO-leerlingen en hun motivatie voor historische literatuur meer kan stimuleren dan het gangbare literatuuronderwijs.

De kern van het empirische onderzoek zijn twee experimentele studies in 5-havo/5-vwo in het Voortgezet Onderwijs in Nederland. Deze twee experimenten (n = 200), een interventie en een replicatie, testen de effecten van een experimentele interventie. Aan deze effectmetingen gaan een literatuur-, ontwerp- en instrumentatieonderzoek vooraf.

Het promotietraject wordt begeleid door promotor Gert Rijlaarsdam (Universiteit van Amsterdam/Universiteit van Antwerpen) en co-promotor Theo Witte (Rijksuniversiteit Groningen).

Als u meer wilt weten, raadpleeg dan de informatie hieronder.

Werkelijke naam: