Literatuuronderwijs: inzicht in jezelf en anderen

Marloes Schrijvers (UvA)
Een ontwerponderzoek naar de effecten van literatuuronderwijs op zelfinzicht en sociaal inzicht

Als we een boek lezen en daarin opgaan, verplaatsen we ons in gedachten in een andere, veilige wereld. Wat we daar denken en zouden willen doen, heeft geen daadwerkelijke gevolgen voor ons echte leven (simulation theory; Mar & Oatley, 2008). Dit creëert de gelegenheid om te reflecteren op wie we zijn, hoe we op anderen reageren, welke keuzes we maken en welke gevolgen dat heeft voor onszelf en anderen. Het lezen van literaire fictie, kortom, kan veranderen hoe we over onszelf en over anderen denken.

Verschillende onderzoeken hebben deze effecten van het lezen van literaire fictie aangetoond. Lezers kunnen bijvoorbeeld diepere zelfinzichten ervaren door literatuur te lezen (Sikora, Kuiken & Miall, 2010), literatuur lezen kan veranderingen in persoonlijkheidskenmerken teweeg brengen (Djikic, Oatley, Zoeterman & Peterson, 2009) en lezen kan ervoor zorgen dat we nadenken over wie we zijn, wie we zouden willen zijn en hoe we niet willen worden (possible selves; Richardson & Eccles, 2007). Ook wordt het lezen van literaire fictie in verband gebracht met een toename van Theory of Mind, ofwel het vermogen om het perspectief van een ander aan te nemen (Kidd & Castano, 2013) en met een toename van empathie, het vermogen om ons in te beelden hoe een ander zich voelt (Bal & Veltkamp, 2013; Mar, Oatley & Peterson, 2009; Mar, Oatley, Hirsh, Dela Paz & Peterson, 2006; Hakemulder, 2000).

Zou het niet zo kunnen zijn dat literatuur-onderwijs dat (meer) is gericht op zelfinzicht en sociaal inzicht, ook meer aansluit bij de ontwikkelingen die adolescenten doormaken?

Het ontwikkelen van zaken als zelfinzicht en empathie sluit aan bij literatuuronderwijs, onder meer omdat het ‘een belangrijke waarde [heeft] voor burgerschapsvorming, denk bijvoorbeeld aan het verbreden van de sociale en culturele horizon en het ontwikkelen van empatisch vermogen’ (SLO, 2015, p. 15). We kunnen er echter niet voetstoots vanuit gaan dat de bovengenoemde effecten van het lezen van literaire fictie ook optreden wanneer leerlingen literatuuronderwijs volgen. Allereerst zijn de meeste van de hierboven aangehaalde onderzoeken uitgevoerd met volwassen deelnemers en niet met adolescenten. Daarnaast hebben deze onderzoeken betrekking op lezen in een onderzoekscontext of in de vrije tijd, en niet op lezen in de schoolse context, waarin het meestal gaat om ‘verplicht’ lezen met een specifiek doel voor ogen. We kunnen de resultaten van de hierboven genoemde onderzoeken dus niet zomaar generaliseren naar het lezen van literatuur in de context van literatuuronderwijs.

Toch is dat juist waar dit onderzoek zich op richt. Zou het niet zo kunnen zijn dat literatuuronderwijs dat (meer) is gericht op zelfinzicht en sociaal inzicht, meer aansluit bij de ontwikkelingen die adolescenten doormaken? Zij worden zich immers steeds meer bewust van zichzelf en van anderen om hen heen: enerzijds ontdekken en ontwikkelen ze hun eigen, unieke persoonlijkheid en anderzijds worden sociale relaties steeds belangrijker. Adolescenten hebben daarnaast vaak behoefte aan literatuur die hen laat nadenken over henzelf en de wereld (Appleyard, 1991). Door aan te sluiten bij de persoonlijke ontwikkeling die adolescenten kenmerkt, wordt literatuuronderwijs voor hen mogelijk betekenisvoller. Op die manier zouden ze niet alleen waardevolle inzichten over zichzelf en over de sociale wereld kunnen opdoen, maar zou hun betrokkenheid bij literatuuronderwijs en het lezen van literatuur ook kunnen toenemen. We onderzoeken dit in ons vierjarige project (september 2014 – september 2018) in diverse stappen:

We richten ons op de bovenbouw van de havo en het vwo en brengen eerst in kaart wat leerlingen rapporteren van hun huidige literatuuronderwijs te hebben geleerd over zichzelf en anderen, en in hoeverre dit samenhangt met de manier waarop hun docent literatuuronderwijs geeft. Op basis hiervan en van de uitkomsten van een literatuurstudie formuleren we ontwerpregels voor een interventie in literatuuronderwijs: we zetten op een rij hoe een lessenserie in literatuuronderwijs zou kunnen bijdragen aan het zelfinzicht en het sociaal inzicht van leerlingen. Welke soorten literatuur en welke leeractiviteiten zouden we hiertoe kunnen inzetten?

In samenwerking met een groep docenten, bijvoorbeeld in de vorm van focusgroepen of een Docent Ontwikkel Team (DOT), ontwikkelen we vervolgens één of meerdere interventies. Op deze manier kunnen we onderwijs ontwerpen dat niet alleen is gebaseerd op ons onderzoek, maar ook op de praktijkervaring van betrokken docenten. Tot slot worden de effecten van deze interventie(s) op het zelfinzicht, sociaal inzicht en de leesbetrokkenheid van leerlingen onderzocht in (quasi-)experimentele studies. We streven ernaar om naar aanleiding van het onderzoek een (online) lesprogramma te kunnen aanbieden, inclusief een training voor docenten.

Het project wordt begeleid door Gert Rijlaarsdam en Tanja Janssen (Universiteit van Amsterdam) en Olivia Fialho (Universiteit Utrecht). Zie ook: http://www.rtle.nl/index.html.

Wilt u meer weten? Lees dan verder bij onderstaande onderwerpen.

‘Uses of Literary Fiction in the Classroom’
Marloes
Schrijvers
Promovenda, Universiteit van Amsterdam