Literatuuronderwijs als denkscholing

Martijn Koek (UvA)
Een mixed method-studie naar de verwantschap tussen kritisch denken en het lezen van literaire fictie, en naar de mogelijke werking van die verwantschap binnen het literatuuronderwijs

Zowel vroeger als nu hebben denkers en wetenschappers verondersteld dat het lezen van literaire fictie denkprocessen in gang kan zetten die afwijken van de denkprocessen die normaal gesproken ons dagelijks leven leiden. Aristoteles (circa 335 voor Christus) bijvoorbeeld gaf aan dat verzonnen verhalen ons helpen om hypothetisch te kunnen denken, omdat het fictieve laat zien dat de dingen ook anders kunnen zijn dan ze zijn. Shklovsky (1917) bedacht de term defamiliarisatie om aan te geven hoe 'poetische taal' de lezer stil doet staan bij en reflecteren op zijn eigen dagelijkse aannames. Nussbaum (1992) benadrukte dat literaire romans lezers na kunnen laten denken over morele keuzes, via de levens van de personages die in het verhaal voorkomen. Waar het op neerkomt is dat al lang gedacht wordt dat het lezen van literatuur automatische denkprocessen even stopzet, ten faveure van meer reflectieve. Dit stopzetten kan gezien worden als een voorwaarde voor kritisch denken (Stanovich, 2010).

Er zijn ook empirische studies die dit effect van literair lezen lijken aan aan te geven. Zo lijken ervaren literaire lezers minder last te hebben van ''cognitive closure'', zijnde de neiging om niet verder te willen denken dan het eigen, al ingenomen, standpunt (Djikic, Oatley, Moldoveanu, 2013). Ook lijkt het lezen van literaire fictie bij te dragen aan de ontwikkeling van de zogenaamde ''Theory of Mind'', of wel de vaardigheid om de gedachten van anderen te begrijpen (Kidd & Castano, 2013) en aan de ontwikkeling van morele reflectie (Hakemulder, 2000).

Voor het onderwijs is deze mogelijke verwantschap tussen het lezen van literaire fictie en kritisch denken zeker waardevol. Immers, de afgelopen twee decennia lijken zowel geleerden als beleidsmakers steeds meer te benadrukken dat kritisch leren denken een belangrijk doel van het secundair onderwijs moet zijn (zie bijvoorbeeld Nussbaum, 2011; Barnett, 2005; Elder, 2015). In de praktijk, echter, heeft literatuuronderwijs het erg moeilijk om te voldoen aan haar potentie om bij te dragen aan dit doel, in elk geval binnen de Nederlandse context. Opdrachten die kritisch denken stimuleren zijn in literatuurmethodes nauwelijks te vinden (Witte, 2008). Bovendien: literatuurdocenten zijn niet getraind om kritisch denken bij hun leerlingen te stimuleren en er is nauwelijks empirisch gefundeerde kennis over hoe ze dat zouden moeten doen, want de bovenstaande studies naar de cognitieve effecten van literair lezen 1)  zijn niet gedaan in de context van het secundair onderwijs en 2) beantwoorden niet de vraag hoe deze effecten ontstaan. Dus, wanneer we aan literatuurdocenten simpelweg zouden vragen hun praktijk te verrijken met kritisch denken, zouden we hun in werkelijkheid vragen hun paradigma te wijzigen, zonder dat het nieuwe paradigma duidelijk is voor hen.

Het doel van onze studie is daarom te onderzoeken of een specifieke didactiek voor het literatuuronderwijs, gestoeld op het aanspreken van kritische denkvaardigheden en een kritische houding  bij het begrijpen van literaire teksten, inderdaad het kritisch denken van leerlingen in de leeftijd 15-18 kan stimuleren. Daartoe volgen wij de volgende stappen:

Eerst zullen we conceptualiseren wat dat 'kritische' in het kritisch begrijpen van literaire teksten nu eigenlijk kan zijn. Ten tweede ontwikkelen we een instrument om dat concept te kunnen meten binnen de context van het reguliere literatuuronderwijs. Ten derde zullen we de correlaties onderzoeken tussen scores op onze test en die op reguliere testen naar kritisch denken en een kritische houding. Ten vierde zullen we een groep leerlingen persoonlijk interviewen. Deze groep bestaat uit zowel leerlingen die hoger gescoord hebben op de tweede meting van de literaire test als leerlingen die dat niet hebben gedaan. Via deze interviews proberen we inzicht te verkrijgen in hoe bepaalde didactische variabelen (zoals docentactiviteiten, tekstkenmerken en leeractiviteiten) hebben bijgedragen aan een hogere testscore. Ten vijfde zullen we op basis van de resultaten van de voorafgaande stappen één of meerdere interventies ontwerpen, wellicht in samenwerking met docenten van verschillende scholen. Deze interventie(s) zullen wij ten slotte evalueren op hun effect op de kwaliteit van het kritisch begrijpen van literaire teksten, zoals gemeten door onze test, op de ontwikkeling van algemene kritische vaardigheden en een kritische houding, en op de motivatie voor literatuuronderwijs.

Dit project staat onder supervisie van Gert Rijlaarsdam (UvA), Tanja Janssen (UvA) en Frank Hakemulder (UU)

Wilt u meer weten? Hieronder vindt u nadere informatie die u kunt raadplegen.

Martijn
Koek
PhD UvA